Het cerebellum, oftewel de kleine hersenen. Ga naar de homepage.Het logo van de patiëntenvereniging 'ADCA-Vereniging Nederland'. Ga naar de homepage.Voorlichting, lotgenotencontact en belangenbehartiging over
Cerebellaire atrofie/ataxie

Aangeboden door de patiëntenvereniging ADCA-Vereniging Nederland

Home • Inhoudsopgave • Zoeken • Gastenboek • Disclaimer & Privacy • English

Geef voor onderzoek.

 
Vorige pagina • Eén niveau terug • Volgende pagina

Hoe staat het met het onderzoek naar cerebellaire ataxieën? (2003)


Auteur: Prof. dr. H.P.H. Kremer, neuroloog.
Datum: April 2003.
Bron: ADCA-Vereniging Nederland: ADCA-krant / jaargang 10, nummer 2, april 2003.

Sedert 1993, toen het eerste gen voor een Autosomaal Dominante Cerebellaire Ataxie, het SCA-1 gen, gevonden werd, zijn de ontwikkelingen in het wetenschappelijk onderzoek naar met name de ADCA’s, maar ook in het onderzoek naar andere vormen van ataxie, razendsnel gegaan. Wekelijks verschijnen er nieuwe publicaties op dit gebied, en de kennis neemt zeer snel toe. Maar tevens kan de vraag gesteld worden: wat hebben al deze onderzoeksinspanningen ons nu opgeleverd in termen van patiëntenzorg? Of anders gezegd: wat heeft de patiënt er aan? 

Autosomaal dominant-erfelijke cerebellaire ataxieën
Waarschijnlijk de meeste vooruitgang is geboekt in het onderzoek naar de autosomaal dominante cerebellaire ataxieën. Inmiddels zijn vele plaatsen geïdentificeerd op de 23 paar chromosomen die genen bevatten die op hun beurt, indien gemuteerd, kunnen leiden tot een cerebellaire ataxie. Overigens zijn nog niet alle genen precies bekend. Momenteel kennen we de exacte structuur van 8 of 9 zulke genen die verantwoordelijk kunnen zijn voor een ADCA. Het totaal aantal bekende plaatsen (loci genaamd in genetisch taalgebruik) is op het moment 23 of 24. Het exacte aantal is niet helemaal duidelijk omdat over sommige bevindingen nog controverse bestaat. De status van SCA-8 bijvoorbeeld is nog steeds omstreden. Het Nederlands samenwerkingsverband SCAN (SpinoCerebellaire Ataxieën in Nederland) heeft recent SCA-23 gemeld, en in Rotterdam is nog een nieuw ADCA-gen gevonden. De verwachting is dat er in de nabije toekomst nog steeds nieuwe loci en feitelijke genen gevonden zullen worden. Niemand weet hoeveel ADCA-genen er eigenlijk zijn.

Van afwijking in het erfmateriaal tot medicijnen
Wanneer je weet welk gen een rol speelt bij een ziekte, kun je uit de DNA structuur van het gen afleiden wat voor soort eiwit dit gen in de cel moet maken. En wanneer je weet op welke plaats in het gen de mutatie zit of om welke mutatie het gaat, kun je ook min of meer afleiden hoe het gemuteerde eiwit veranderd is. De hoop was dat je dan zult begrijpen waarom zo’n gemuteerd eiwit leidt tot celdood in de kleine hersenen, en dat je in staat bent om geneesmiddelen tegen deze celdood te ontwikkelen. Nu blijkt dit echter in de praktijk veel moeilijker te zijn dan aanvankelijk gedacht werd. Van de meeste gevonden genen weten we nog niet wat hun functie in cellen in het algemeen is, laat staan wat hun functie is in de zenuwcellen van de kleine hersenen. Voorts beginnen we ons steeds meer te realiseren dat eiwitten binnen een cel samenwerken in zeer complexe netwerken met talloze andere eiwitten, en dat eiwitten meer dan een functie kunnen hebben. De effecten van kleine veranderingen in een eiwit zijn dan ook in het algemeen niet makkelijk te begrijpen. De strategie om hier achter te komen is om veranderde genen (dus veranderde eiwitten) door middel van moleculair-biologische technieken in te bouwen in afzonderlijke cellen die je dan kunt kweken, of zelfs in te bouwen in proefdieren (zogenaamde transgene dieren). Maar dit soort experimenten is over het algemeen tijdrovend, levert in een flink aantal gevallen teleurstellende resultaten op, en is soms moeilijk te interpreteren. En pas nadat je een min of meer duidelijk inzicht hebt in wat een veranderd eiwit nu teweeg brengt in een zenuwcel, zenuwcel, kun je gaan nadenken over rationele geneesmiddelen. Maar we weten ook dat je weliswaar kunt denken dat een geneesmiddel zou moeten helpen, maar dat dat dan ook nog in de praktijk bewezen moet worden door middel van een zogenaamde gecontroleerde klinische trial (zie één van mijn voorgaande columns). Ook dit kost weer tijd. Kortom: er is verschrikkelijk veel nieuws bekend geworden over ADCA’s, maar we zijn er nog lang niet.

Autosomaal recessief-erfelijke cerebellaire ataxieën
Misschien ligt de situatie voor de zogenaamde recessieve ataxieën, waarvan het belangrijkste voorbeeld is de ziekte van Friedreich, wat makkelijker. Bij een recessieve aandoening is het (zelfde) gen gemuteerd op beide chromosomen van een chromosomenpaar. Dit betekent in het algemeen dat er geen genproduct, geen eiwit, meer gemaakt wordt of een niet functionerend genproduct, en dat de oorzaak van een recessieve ziekte schuilt in de afwezigheid van de functie van het gemuteerde eiwit. Dit is een situatie die over het algemeen makkelijker te begrijpen is dan die bij een dominante aandoening, waarbij een eiwit gedeeltelijk veranderd is. Voor de ziekte van Friedreich zijn er inmiddels dan ook duidelijke ideeën over hoe je dit zou moeten of kunnen behandelen. Of dit in werkelijkheid ook zo gaat moet echter nog bezien worden. Ook hier zijn weer klinische trials nodig. Daarnaast is de situatie bij de recessieve ataxieën zo, dat wij denken dat ook deze aandoeningen veroorzaakt kunnen worden door mutaties in tientallen verschillende genen. Het aantal genen dat op het moment opgehelderd is in deze groep ziekten is op de vingers van één hand te tellen. In deze zin is het onderzoek bij recessieve ataxieën dus minder ver gevorderd dan dat bij dominante ataxieën.

Niet erfelijke cerebellaire ataxieën
Tenslotte de situatie bij de niet-erfelijke ataxieën, met name de Multipele Systeem Atrofie (MSA). Hoe staat het hiermee? Conceptueel gezien zijn dit de moeilijkste ziekten voor het wetenschappelijke onderzoek. We hebben vaak nauwelijks een aanwijzing waar de oorzaak zou kunnen zitten. Van een erfelijke aandoening weten we dat we in het erfmateriaal moeten gaan zoeken, maar waar moeten we starten bij een niet-erfelijke aandoening? Er wordt weliswaar in de hersenen van mensen die overleden zijn aan MSA veranderingen gevonden waarbij het eiwit alfa-synucleïne een rol speelt, maar onduidelijk is of dit oorzaak of gevolg is van de aandoening. Mogelijk dat door de toepassing van zeer geavanceerde genetische technieken, waarbij meer gekeken gaat worden naar associatie met bepaalde genetische factoren dan naar simpele overerving binnen één familie, licht in deze complexe materie te brengen is. Maar voor wat betreft de huidige stand van het onderzoek: voor MSA is dit momenteel het minst ver gevorderd.

 

 

© 1996-2010 ADCA-Vereniging Nederland.

Contact