|
Auteur: Drs. Van de Warrenburg,
neuroloog in opleiding.
Datum: 17 mei 2003
Bron: Drs. Van de Warrenburg / ADCA-Vereniging Nederland:
Contactdag 17 mei 2003.
Op de landelijke contactdag van 17 mei 2003 vertelde drs. Van de
Warrenburg (foto) over wetenschappelijk onderzoek. Hieronder een samenvatting
van zijn verhaal.
Het doel van wetenschappelijk onderzoek is het vergroten van de
kennis, in dit geval over de aandoening ADCA. Met deze kennis zijn we
beter in staat de ziekte te herkennen en begrijpen, en kan de
(para)medische zorg beter worden afgestemd op de specifieke problemen en
vragen van ADCA-patiënten. Het meest prestigieuze doel van het huidige
wetenschappelijke onderzoek is het ontwikkelen van een geneesmiddel dat
de ziekte vertraagt of zelfs voorkomt.
In Nederland heeft het wetenschappelijk onderzoek naar ADCA duidelijk
vorm gekregen in 1999. In dat jaar is de werkgroep Spino Cerebellaire
Ataxieën Nederland (SCAN) opgericht, waarin neurologen, biologen en
klinisch-genetici uit Nijmegen, Utrecht, Groningen en Rotterdam zitting
hebben genomen. Het Nederlandse onderzoek richt zich eigenlijk op vier
grote thema's: epidemiologie (hoe vaak komt het voor?), ziektebeeld (het
geheel van klachten, verschijnselen en bevindingen), genetica (het
zoeken naar nieuwe genen en het bestuderen van de relatie tussen gen en
ziektebeeld) en ziektemechanisme (waarom geeft een bepaalde fout in een
bepaald gen eigenlijk ataxie?).
In 2000 is het epidemiologische onderzoek afgerond, waaruit naar voren
kwam dat er, op dat moment, in Nederland 145 families en 382 patiënten
waren met ADCA op basis van SCA1, SCA2, SCA3, SCA6 of SCA7. Na enkele
berekeningen kwamen we op een prevalentiecijfer van 3 per 100.000, dat
wil zeggen dat ongeveer 1 op de 33.000 Nederlanders ADCA heeft. ADCA is
dus een zeldzame aandoening.
Het onderzoek naar het ziektebeeld, in al zijn facetten, richt zich met
name op aantasting van de lange zenuwbanen (polyneuropathie), houding-
en balansproblemen, vallen, en het meten van de verschrompeling
(atrofie) van de kleine hersenen met behulp van 3-dimensionele MRI-scans.
Dit laatste onderzoek moet nog opgezet gaan worden. Voor het bestuderen
van de mogelijke aanwezigheid van polyneuropathie (aantasting van de
lange zenuwbanen die vanuit het ruggenmerg de armen en benen in lopen en
het gevoel en de kracht verzorgen) zijn 30 ADCA-patiënten uitgebreid
lichamelijk en elektrofysiologisch onderzocht. Uit de resultaten bleek
dat bij ongeveer 70% van de patiënten er een vorm van polyneuropathie
aanwezig was, alhoewel dit veelal, in verhouding tot de ataxie, niet
veel klachten bleek te geven. Dit leert ons in ieder geval dat ADCA meer
is dan een aandoening van de (kleine) hersenen. Het onderzoek naar
houding- en balansproblemen en ook het onderzoek naar vallen bij ADCA is
reeds afgerond, maar de resultaten hiervan moeten nog geanalyseerd
worden.
Het genetische onderzoek richt zich met name op het vinden van nieuwe
genen. Terwijl in 1999, ten tijde van de oprichting van SCAN, er 'nog
maar' acht SCA-genen (of plaatsen van genen) bekend waren, zijn we
inmiddels bij SCA23 aan beland. Voor vier van de nieuwere SCA-genen is
Nederlands onderzoek geheel of gedeeltelijk verantwoordelijk: SCA14,
SCA19, SCA23 en FGF14. Het belang van het vinden van nieuwe SCA-genen is
gelegen in het feit dat hiermee de genetische achtergrond van ADCA in
Nederland wordt opgehelderd en de mogelijkheden voor DNA-diagnostiek en
erfelijkheidsadvisering vergroot worden. Ook betekent een nieuw gen
tevens een relatief grote stap in het ontrafelen van het
ziektemechanisme. Daarnaast richt het genetische onderzoek zich ook op
de relatie tussen gen en ziektebeeld. Hebben de verschillende SCA-types
ook een ander ziektebeeld? Waarom begint de ziekte bij de één op
60-jarige leeftijd en bij de ander op zijn of haar 20e? Een van de
factoren die een deel van deze verschillen verklaren blijkt de lengte
van de CAG-repeat te zijn in het geval van SCA1, SCA2, SCA3, SCA6 en
SCA7. Hoe langer de repeat, hoe eerder de aandoening zich openbaart. De
relatie tussen repeatlengte en beginleeftijd wordt nu bestudeerd aan de
hand van 800 anonieme patiëntengegegevens uit Nederland en Frankrijk.
Het onderzoek naar het precieze ziektemechanisme, dus het beantwoorden
van de vraag waarom een bepaalde fout in een bepaald gen uiteindelijk
tot ADCA leidt, is essentieel voor het bedenken, ontwikkelen en testen
van een mogelijk geneesmiddel. Dit onderzoek vindt met name buiten
Nederland plaats en geschiedt op cellen, fruitvliegen en muizen waarin
zo'n fout gen is 'ingebouwd'. Dergelijke cel- en diermodellen zijn
uitermate geschikt voor dit type onderzoek omdat cellen en kleine dieren
genetisch eenvoudig te manipuleren zijn, de ziekte zich relatief snel
openbaart en de levensduur beperkt is en weefselonderzoek bij deze
modellen makkelijk uitvoerbaar is.
In maart van dit jaar heeft het Europese Ataxie Consortium (EuroSCA) een
subsidieaanvraag ingediend bij de Europese Commissie voor negen miljoen
euro. Met dit bedrag moet het wetenschappelijke onderzoek naar ADCA door
24 onderzoeksgroepen uit 9 Europese landen gedurende 5 jaar worden
gesteund. Dit geld is essentieel voor het Europese ataxie onderzoek en
ook om te kunnen 'concurreren' met Amerikaanse en Japanse
onderzoeksgroepen. Het consortium is een initiatief van professor Riess
uit Tübingen en dr. Matilla uit Londen. Nederland is vertegenwoordigd
in het bestuur van dit consortium en zal met name een bijdrage gaan
leveren aan het klinische netwerk van EuroSCA. Het doel van dit
klinische netwerk is het aanleggen van een Europees gegevensbestand van
zoveel mogelijk ADCA-patiënten met daarin (anonieme) gegevens over
ziekteverschijnselen, beginleeftijd, SCA-type enz. Hiertoe zouden
eventuele deelnemers, en we hopen op ongeveer 50% van alle
ADCA-patiënten in Nederland, één maal per jaar op de polikliniek
Neurologie in Nijmegen (en misschien ook Groningen) komen en daar op een
standaard manier worden 'ondervraagd' en onderzocht. Mocht de
subsidieaanvraag gehonoreerd worden, het besluit zal in september
vallen, dan zal ik dat in de ADCA-krant kenbaar maken en hierin tevens
een oproep voor deelname plaatsen.
Omdat ADCA een zeldzame ziekte is moeten wij voor wetenschappelijk
onderzoek helaas vaak een beroep doen op dezelfde mensen. Ik vraag
hiervoor Uw begrip. Iedereen dit tot nu heeft meegewerkt aan het
succesvolle Nederlandse wetenschappelijke onderzoek wil ik bij deze
hartelijk danken.
|