Het cerebellum, oftewel de kleine hersenen. Ga naar de homepage.Het logo van de patiëntenvereniging 'ADCA-Vereniging Nederland'. Ga naar de homepage.Voorlichting, lotgenotencontact en belangenbehartiging over
Cerebellaire atrofie/ataxie

Aangeboden door de patiëntenvereniging ADCA-Vereniging Nederland

Home • Inhoudsopgave • Zoeken • Gastenboek • Disclaimer & Privacy • English

Geef voor onderzoek.

 
Vorige pagina • Eén niveau terug

Liever de onzekerheid


Oorspronkelijke titel: Liever de onzekerheid.
Auteurs: Dominique en Saskia van der Lingen.
Bron: de Volkskrant, zaterdag 9 maart 2002, pagina 15 (katern 'Reflex').
Overgenomen met toestemming van de auteurs en van de Volkskrant.

Een spermadonor met de erfelijke aandoening ADCA heeft nakomelingen verwerkt, bleek onlangs. Hieronder het verhaal van twee dochters van een vader die aan deze ziekte overleed, en die besloten kinderen te willen zonder te weten of ze erfelijk belast zijn. Ze wisten hoe hun vader over zijn leven oordeelde. 'En omdat we hem hebben gekend, durven wij tegenover onze kinderen verantwoording af te leggen'.

door Dominique en Saskia van der Lingen

In de discussie naar aanleiding van de spermadonor die erfelijk belast bleek, zijn allerlei ethische en morele kwesties naar voren gebracht. De uitspraak die ons het meest getroffen heeft, is dat de kwaliteit van het leven van de met zijn zaad verwekte kinderen ernstig aangetast zou zijn.

Leven met het vooruitzicht op een "gruwelijke" ongeneeslijke erfelijke ziekte zoals bijvoorbeeld ADCA is minder afschrikwekkend dan de afgelopen dagen wel in de pers is gesuggereerd. De wetenschap mogelijk erfelijk belast te zijn is makkelijker te dragen naarmate kinderen beter en tijdig geïnformeerd zijn over hun kansen en over het ziektebeeld zelf. Bovendien stelt deze kennis hen in staat de ziekte te relativeren en voor zichzelf de noodzakelijke keuzes te maken.

De spermadonor bleek, jaren nadat er achttien kinderen verwekt waren, te lijden aan een vorm van ADCA. Hij heeft zijn verantwoordelijkheid genomen en de moed gehad om de spermabank onmiddellijk op de hoogte te stellen. ADCA (autosomaal dominante cerebellaire ataxie of atrofie) is de verzamelnaam van een zeldzame groep onbehandelbare en voortschrijdende erfelijke aandoeningen, waarbij de kleine hersenen, die onder andere de coördinatie van het bewegingsapparaat aansturen, geleidelijk afsterven. Een kind van een ADCA-patiënt loopt zelf 50% kans om deze ziekte te krijgen. Als je de ziekte inderdaad hebt, lopen ook jouw kinderen ieder 50% kans. Blijk je de ziekte niet te hebben, dan zijn ook je kinderen niet erfelijk belast.

Wij (41 en 45 jaar) zijn zelf kinderen van een vader met ADCA. We hebben ons verbaasd over de stelligheid waarmee sommigen hebben geoordeeld over een kwestie die zo veel verschillende grote dilemma's met zich meebrengt, waar wij zelf ruim dertig jaar over hebben kunnen nadenken. 

Onze familiegeschiedenis is in de discussie interessant omdat onze vader twee gezinnen had, die in verschillende omstandigheden zijn opgegroeid. Eén gezin met twee kinderen van zijn eerste vrouw, van wie hij al snel weer scheidde en met wie alle contact sindsdien verbroken was. En een tweede gezin met drie kinderen (de derde is 40) die met hem en zijn ziekte opgroeiden.

Midden jaren zestig liet onze vader, toen ongeveer 40 jaar oud, zich door een neuroloog onderzoeken omdat hij zijn bewegingen steeds moeilijker kon coördineren. Tien jaar eerder was zijn moeder overleden, nadat zij een aantal jaren in een rolstoel had gezeten omdat ook zij haar bewegingen niet kon controleren. Bij haar was de diagnose multiple sclerose gesteld. Vanwege deze familiegeschiedenis stelde de neuroloog onmiddellijk vast dat het om een dominant erfelijke aandoening moest gaan, te weten cerebellaire ataxie, tegenwoordig bekend onder de naam ADCA.

Onze vader had op dat moment al vijf kinderen. Zijn twee oudste zonen waren met hun moeder geëmigreerd naar de andere kant van de wereld. Tussen hen en hun biologische vader was alle contact al vijftien jaar verbroken. Zij wisten dus van niets. 

Wij, de kinderen uit zijn tweede huwelijk, maakten in ons gezin zijn voortschrijdende aftakeling mee: steeds moeilijker lopen, de zogeheten dronkemansgang die maakt dat je op straat wordt nagekeken, dingen uit je handen laten vallen, steeds vaker valpartijen met meer of minder ernstige gevolgen, de verklaring van arbeidsongeschiktheid, de komst van de wandelstok, de komst van de rolstoel, steeds moeilijker kunnen articuleren tot je op het laatst vrijwel onverstaanbaar wordt en mensen je dus behandelen alsof je niet goed snik bent, niet meer kunnen schrijven, later ook niet meer kunnen typen, dubbel gaan zien, je steeds vaker verslikken, onverklaarbare pijnen en door dit alles natuurlijk ook algehele verzwakking en een steeds groter sociaal isolement. Een ziekte dus die leidt tot uitzichtloos lijden. 

Maar hoe ondraaglijk dat lijden is, kan alleen ieder voor zich bepalen. Onze vader is in de tijd dat hij ziek was herhaaldelijk ten prooi geweest aan diepe depressies. Toch heeft hij uiteindelijk zijn situatie aanvaard. Zijn scherpzinnigheid en humor heeft hij tot het einde toe kunnen behouden. Toen hij op 56-jarige leeftijd overleed aan de complicaties van zijn ziekte, een longontsteking als gevolg van verslikking, was de balans die hij zelf over zijn leven had opgemaakt positief. 

In deze gezinsomstandigheden groeiden wij op en werden we volwassen. Er werd trouwens vrijwel nooit over de ziekte gepraat. Pappa was ziek en daar was nu eenmaal niets aan te doen. En hij was altijd thuis om spelletjes met ons te doen. Dat was een voordeel. Wel wisten wij dat de ziekte dominant erfelijk was. En we worstelden met de vraag of we zelf wel kinderen wilden of niet, in het besef dat de ziekte, áls we die hadden, zich waarschijnlijk pas zou manifesteren als we de leeftijd waarop je een gezin sticht eigenlijk voorbij zouden zijn. Misschien maar beter van niet, dachten we, en één van ons vroeg zelfs al op 16-jarige leeftijd bij de huisarts om sterilisatie. 'Kom over tien jaar maar eens terug,' antwoordde die.

Inmiddels waren onze tien jaar oudere halfbroers ook volwassen geworden. Toen de oudste in 1974 trouwplannen kreeg, begon zijn verloofde naar zijn achtergrond te informeren. Wie was eigenlijk die onbekende vader in Nederland? Ze zochten via hun voogd contact en onze ouders boden hun, en de andere zoon en zijn vrouw, die op dat moment zwanger was van hun tweede kind, een reis naar Nederland aan. In de brief met die uitnodiging stond ook dat hun vader leed aan de erfelijke ziekte cerebellaire ataxie. Binnen een week, nog vóór het huwelijk en de huwelijksreis naar Nederland, lieten beide broers zich steriliseren. 

Onze broers kwamen hier en hoewel we ze nooit eerder gezien hadden, voelden we direct verwantschap. Sindsdien is er een hechte band ontstaan en hebben we elkaar van tijd tot tijd over en weer bezocht. Maar onze vader was daartoe fysiek niet meer in staat en het dagelijks leven met iemand die aan ADCA lijdt, hebben onze broers nooit kunnen meemaken. 

Waarschijnlijk is hun onvermogen om de ziekte te relativeren, hieraan te wijten. Niet alleen hebben ze zich allebei laten steriliseren, ook hebben zij zich jarenlang onder controle gesteld van een neuroloog, om eventuele symptomen maar zo snel mogelijk te signaleren. Eén van de twee heeft, vanaf het moment dat hij ervan wist, in angstige afwachting geleefd en zijn leven door die doem laten beheersen. Ironisch genoeg openbaarde de ziekte zich tien jaar later juist bij hem. Twee jaar geleden, kort na zijn 50ste verjaardag, kwam er een einde aan zijn leven. De andere broer was inmiddels tot de overtuiging gekomen dat hij niet meer ziek zou worden, liet zijn sterilisatie ongedaan maken en kreeg met zijn tweede vrouw nog twee kinderen. Hij is ondertussen al grootvader.

Toen onze vader overleed waren wij, de kinderen uit zijn tweede huwelijk, 24, 21 en 19. We waren met hem opgegroeid en kenden hem als een waardevol mens met een waardevol leven. Een leven dat bovendien de eerste veertig jaar volkomen normaal en gezond was geweest. 

In de jaren na de dood van onze vader hebben wij, onafhankelijk van elkaar, met onze levenspartners besloten dat we eigen kinderen wilden, zonder uitsluitsel te hebben over de vraag of we wel of niet belast zijn. We durfden het aan, juist omdat we onze vader gekend hadden en wisten hoe hij over zijn leven oordeelde. En omdat we hem hebben gekend, durven wij ook tegenover onze kinderen verantwoording af te leggen van die keuze. Onze vader heeft bestaan, en hij was de moeite waard. Wij bestaan, en vinden ons leven de moeite waard. En wie zou durven beweren dat onze kinderen niet de moeite waard zijn? Toch heeft onze oudste halfbroer, die zijn vader veel minder goed kende, zich toen hij eenmaal ziek was meer dan eens oprecht afgevraagd of hij er niet beter niet had kunnen zijn.

Na de dood van onze vader namen we afstand van de ziekte. We dachten er niet veel aan, al hebben we misschien een bovengemiddelde belangstelling voor discussies over erfelijkheid. Door de ziekte en het overlijden van onze broer kwam het weer dichterbij, daarna hebben we er opnieuw afstand van genomen. Sinds kort weten we dat onze variant van de ziekte genetisch kan worden vastgesteld. Toch hebben we ons geen van drieën laten onderzoeken. Wij verkiezen de onzekerheid, want wij willen ons niet, zoals onze oudste broer, zorgen maken voor onze tijd. 

Bovendien, zo lang de ziekte onbehandelbaar is, en het ziet er niet naar uit dat daar snel iets aan verandert, heeft preventief genetisch onderzoek geen enkele zin. En van preventief neurologisch onderzoek hoeft men zich al helemaal niets voor te stellen, dat bestaat uit niet veel meer dan de 'verdachte' over een rechte lijn laten lopen. Een jaar of drie voor de neuroloog bij onze broer de diagnose stelde, hadden wij als ervaringsdeskundigen de eerste symptomen al herkend.

Het probleem zal voor ons pas weer actueel worden mocht een van ons zelf symptomen ontwikkelen. En het wordt in elk geval actueel wanneer onze kinderen op hun beurt voor de keuze staan of ze wel of niet kinderen willen krijgen. Zij staan dan voor nog grotere dilemma's dan wij, omdat zij, anders dan wij destijds, voorspellend genetisch onderzoek kunnen laten doen. 

Zo'n beslissing heeft echter verstrekkende gevolgen. Bij een autosomaal dominant erfelijke afwijking geldt namelijk: als het kind het heeft, heeft vader of moeder het ook, en opa of oma ook. Een dergelijk onderzoek doet dus met terugwerkende kracht ook uitspraak over het voorgeslacht. Wie drager van de ziekte blijkt, weet niet alleen met zekerheid dat hij zelf in de toekomst de ziekte zal ontwikkelen, maar ook dat zijn ouder de ziekte heeft, zelfs al vertoont die op dat moment nog geen symptomen. Wat doe je met die kennis? Theoretisch lijkt het recht van de ouder op onzekerheid even groot als het recht van het kind op zekerheid. Maar in de praktijk is het onmogelijk om tegelijkertijd wel en niet te weten. 

En de 'verworvenheid' van de prenatale diagnostiek stelt eventuele dragers van een erfelijke aandoening ook nog voor het volgende morele dilemma: prenataal onderzoek heeft alleen zin als je van tevoren al beslist hebt dat je een zieke vrucht niet geboren zult laten worden. Dit lijkt in Nederland al min of meer een vanzelfsprekendheid: prenataal diagnostisch onderzoek wordt in veel verloskundige klinieken standaard en ongevraagd aangeboden. Wie echter suggereert dat erfelijk belaste kinderen of kinderen met een aangeboren handicap niet geboren zouden mogen worden, begeeft zich op het gebied van de eugenetica en ontzegt in feite ook ons het recht op ons bestaan. Wij menen daarentegen dat het leven ook met (de kans op) een ernstige ziekte of handicap de moeite waard kan zijn.

Dat het ziekenhuis waar de inseminaties met het mogelijk belaste donorzaad hebben plaatsgevonden, drie jaar de tijd heeft genomen om alle aspecten zorgvuldig af te wegen, vinden wij lovenswaardig. Wat was er gewonnen geweest wanneer de gezinnen eerder geïnformeerd waren? Hun variant van de ziekte is nog niet genetisch te herkennen. Een behandeling is er niet. Aan kinderen krijgen is deze generatie nog niet toe. Nu hebben ze in elk geval drie jaar langer onbekommerd kunnen leven, en dat is pure winst. We hebben er zelf heel wat langer over gedaan om onze standpunten over verschillende aspecten te bepalen.

De ervaring in onze familie leert dat het moeilijker is om deze ziekte te aanvaarden wanneer je er niet mee vertrouwd bent. De kinderen van de spermadonor zullen hun biologische vader waarschijnlijk nooit leren kennen. Zij hebben geen voorbeeld voor ogen van wat hun eventueel te wachten staat, en die angst voor het onbekende is misschien nog wel moeilijker te dragen dan een gezinsleven met een zieke ouder. 

Wij voelen een diepe deernis voor hen, hun ouders en hun biologische vader. We hopen en wensen dat deze gezinnen in staat zullen zijn om zich, na de verwerking van deze enorme schok, niet van nu af aan door angst te laten beheersen. En we hopen dat zij niet overhaast besluiten nemen die niet meer terug te draaien zijn. Het afwegen van alle ethische aspecten die aan deze ziekte verbonden zijn, kost tijd. Iedere betrokkene moet de tijd vergund worden zijn eigen afwegingen te maken en zijn eigen keuzen te bepalen.

 
 

© 1996-2010 ADCA-Vereniging Nederland.

Contact