Auteur: Dr. H.P.H. Kremer, neuroloog.
Datum: Januari 1996
Pas sedert het begin van jaren '70 weten we dat MSA een welomschreven aandoening
is, met in de eerste stadia van de ziekte verschillende beloopsvormen,
die aanvankelijk als aparte ziekten beschouwd werden.
Coördinatiestoornissen
Sommige patiënten met MSA hebben in
het begin van hun ziekte vooral last van coördinatiestoornissen. Bij
neurologisch onderzoek blijken er dan verschijnselen van ataxie te bestaan
die toe te schrijven zijn aan een functiestoornis van de kleine hersenen,
het cerebellum (Zie tekening). Daarnaast kunnen er al wat Parkinson-achtige
verschijnselen bestaan of problemen met wat we noemen het autonome zenuwstelsel
(zie beneden), maar die verschijnselen zijn nog niet duidelijk. Op een
MRI-scan is dan soms al een schrompeling van de kleine hersenen en de hersenstam
te zien. Vroeger werd bij veel van deze patiënten de diagnose niet-erfelijke
Olivo-Ponto-Cerebellaire Atrofie (OPCA) gesteld.
Parkinson-achtige verschijnselen
Een tweede groep patiënten begint met
vooral Parkinson-achtige verschijnselen: stijfheid, moeite met snelle bewegingen,
schuifelende gang, en stijve spieren. Zij reageren echter slecht tot niet
op de gebruikelijke anti-Parkinson medicijnen. De MRI-scan laat soms afwijkingen
in een hersengebied zien dat we basale ganglia noemen: belangrijke hersenkernen
tussen de hersenstam en de hersenschors. Vroeger werd bij deze patiënten
de diagnose Striato-Nigrale Degeneratie (SND) gesteld.
Stoornissen van het autonome zenuwstelsel
Een derde groep patiënten, de kleinste,
begint met stoornissen van het autonome zenuwstelsel. Dit deel van het
zenuwstelsel is betrokken bij de regulatie van allerhande vitale functies,
zoals voedselvertering, bloeddruk en bloedcirculatie, en seksuele functies.
Deze patiënten hebben reeds in een vroeg stadium last van duizeligheid
bij snel opstaan (als gevolg van onvoldoende aanpassing van de bloeddoorstroming
aan het rechtop gaan staan), problemen met het plassen of het ophouden
van urine, en potentiestoornissen. Daarnaast zijn er vaak toch al lichte
Parkinson-achtige verschijnselen. Vroeger werd dit het syndroom van Shy-Drager
genoemd.
Één aandoening
Nu is het in de neurologie niet vreemd dat
verschillende ziektebeelden overlappende verschijnselen hebben. Een patiënt
met bijvoorbeeld een hersentumor kan vrijwel dezelfde verschijnselen hebben
als iemand met een herseninfarct of multiple sclerose. Maar naarmate men
patiënten met niet-erfelijke OPCA, SND en Shy-Drager langer vervolgde
in de tijd, viel op dat deze patiënten wel erg veel op elkaar gingen
lijken. Vrijwel altijd was er sprake van een combinatie van cerebellaire
ataxie, Parkinson-achtige verschijnselen, functiestoornissen van het autonome
zenuwstelsel, en te levendige reflexen. Verder viel bij onderzoek van de
hersenen na de dood van deze patiënten op dat de afwijkingen toch
wel verdacht veel op elkaar leken.
Zo kwamen de neurologen Graham en Oppenheimer
in 1969 tot de voorzichtige conclusie dat het in feite om één
aandoening moest gaan die zij Multiple Systeem Atrofie, MSA, noemden, omdat
er verscheidene hersensystemen zijn aangedaan.
Een belangrijke stimulans voor dit concept
was een observatie van Hongaarse neuropathologen, Papp en Lantos, in de
tweede helft van de jaren '80. Zij vonden dat de hersencellen van patiënten
met MSA, zowel zenuwcellen als bepaalde steuncellen, typische met zilver
aankleurende draadachtige structuren bevatten (argentofiele inclusies)
Ze werden bij geen enkele andere aandoening gevonden, met name niet bij
de ziekte van Parkinson, of bij wat vroeger heette erfelijke OPCA, tegenwoordig
ADCA. Blijkbaar is de aanwezigheid hiervan een specifieke bevinding voor
de diagnose MSA.
Prevalentie
Nu we het beeld van MSA kennen, kunnen we
de diagnose ook vrij vaak stellen: de aandoening komt veel voor. Naar schatting
één op de tien patiënten bij wie aan de diagnose ziekte
van Parkinson gedacht wordt heeft in feite MSA. En ook een groot deel van
de mensen die op oudere leeftijd een heel langzaam toenemende cerebellaire
ataxie krijgen heeft MSA, als er tenminste geen soortgelijke aandoening
bij familieleden voorkomt (want dan is er sprake van ADCA). Op oudere leeftijd
wil zeggen: na het 45e tot 50e levensjaar. Want MSA is een aandoening van
de ouder wordende mens.
Diagnose
De diagnose wordt gesteld op basis van de
bevindingen bij het neurologisch onderzoek: ataxie, parkinson-achtige verschijnselen,
een te forse daling van de bloeddruk bij rechtop gaan staan, en te levendige
reflexen. Uiteraard kan het aanvankelijk moeilijker zijn
de diagnose te stellen, als nog niet alle verschijnselen te vinden zijn.
En er zijn vele aandoeningen die, zeker in een vroege fase, niet goed van
MSA te onderscheiden zijn. Veel patiënten lopen
5 tot 8 jaar na het begin van de ziekte al zo slecht dat ze een rolstoel
nodig hebben, en na 10 tot 15 jaar is de kans op overlijden groot door
de ernstige slikproblemen en de chronische immobiliteit. Een belangrijk
aspect, en een zorg van vele patiënten, moet zeker vermeld worden:
de ziekte is niet erfelijk.
Behandelingsmogelijkheden
We hebben helaas nog geen middelen om de
ziekte tot staan te brengen. Soms helpen anti-Parkinson medicijnen wel
iets, wanneer patiënten vooral Parkinson-achtige verschijnselen hebben.
Tegen de ataxie zijn er geen medicijnen; wel kunnen fysiotherapie en logopedie
enige baat brengen. De bloeddrukdalingen bij verandering van liggende naar
staande houding kunnen gepaard gaande flauwvallen of met het gevoel flauw
te vallen. Er zijn wel medicijnen beschikbaar om deze bloeddrukdalingen
tegen te gaan. Ook kunnen er na verloop van tijd hart-ritme stoornissen
ontstaan, waarvoor dan een cardioloog geraadpleegd moet worden. Bij potentie-problemen
bij mannen kan de uroloog soms uitkomst brengen, evenals bij plasproblemen.
Maar al deze interventies blijven slechts symptomatisch: we snappen niet
wat de ziekte veroorzaakt en we weten niet wat er aan te doen valt.
|