Bijen slimmer dan mensen dachten

Zeven bijen zitten ontstemd zoemend in een afgesloten plastic huisje.
Vier van hen zitten in een grote doorzichtige ruimte. De andere drie in een kleinere ruimte, die uitzicht biedt op de grote ruimte.
‘Waarom denk jij dat we hier opgesloten zitten?’ vraagt Jibby aan zijn lotgenoten.
‘Ik zou het niet weten,’ antwoord Dizzy. ‘Het is voor mij ook niet duidelijk wat die dooie lookalike hier bij ons doet.’
Alsof die dooie ‘lookalike’ hen heeft gehoord, geeft hij een lichte, onverstaanbare bromtoon als antwoord en komt daarna langzaam met kleine stapjes schommelend in beweging.
Jibby, Dizzy en Fozzy blijven even geschrokken staan.  

De ander leeft toch!

Nieuwsgierig lopen ze achter hun soortgenoot aan en volgen nauwlettend elke bewegingen die hij maakt. Op zich is hun gedrag niet verwonderlijk. Bijen leven doorgaans in een kolonie. Het is voor hen van levensbelang elkaar goed te kennen en voortdurend met elkaar te communiceren, zodat zij indringers met mogelijk kwade bedoelingen direct uit hun kolonie kunnen weren.

De situatie hier is wezenlijk anders dan ze gewend zijn. Alle bijen bevinden zich in een voor hen onbekende ruimte, waardoor de gebruikelijke hiërarchie doorbroken is en er geen kolonie bestaat om op terug te vallen.

Voor Jibby, Dizzy en Fozzy is duidelijk dat de lookalike niet bij hun kolonie hoort. Maar of hij in dit plastic huisje thuis hoort en dit zijn territorium is, is hen evenmin duidelijk. Hij zoemt ook in een voor hen vreemde taal. Ze voelen zich alles behalve op hun gemak bij deze bij. Het liefst zouden ze de lookalike toen ze hem gewaar werden direct hebben verwijderd. Maar zij zagen geen uitgang waar ze hem naar buiten konden werken. Daarbij bevinden ze zich op onbekend terrein.

De drie soortgenoten van Jibby achter het plastic in de andere ruimte kunnen hen, hoe graag ze dat ook willen, niet helpen. Wel kunnen zij met hun bewegingen of licht zoemen hun soortgenoten in de andere ruimte laten weten wat ze van de situatie vinden of hen bij gevaar tijdig waarschuwen.

De lookalike loopt ongestoord al zoemend op een geel balletje af en begint het met zijn voorpoten voort te bewegen in de richting van een holletje in de groene vilten vloer. Als het balletje in het gat is gerold, komen er uit een spuitje naast het gat een paar druppeltjes nectar.

Iets wat de lookalike niet lijkt op te vallen, want hij blijft stokstil naast het gat staan waarin het gele balletje is verdwenen. Hij lijkt plots weer net zo levenloos als daarvoor. Zelfs als Jibby – de brutaalste van de drie – van zijn nectar snoept, reageert hij op geen enkele manier. Terwijl het toch zijn nectar is, die hij heeft verkregen door het balletje in het gat te rollen.

De andere twee zijn te angstig om het voorbeeld van Jibby op te volgen en houden de lookalike nauwgezet in de gaten. Die wordt tot hun verwondering even later omver geblazen en beland in een plastic buisje dat hem afzuigt.

‘Kom,’ zegt Jibby tegen de anderen twee. ‘Jullie moeten ook wat eten om in leven te blijven. Je weet nooit wanneer er weer nectar komt.’ Hierna doen ook Dizzy en Fozzy zich tegoed aan de lekkernij. De bijen in de andere ruimte staan likkebaardend tegen het plastic gedrukt, maar kunnen helaas niet bij de nectar komen.

Dan valt er een geel balletje in het hok. Het is door het zelfde buisje gekomen als waarmee de lookalike is afgezogen.

Dizzy holt direct op het balletje af en wil het in de richting van het gat in de grond duwen.

Fozzy springt ervoor en zegt: ‘Wacht even Dizzy. Je weet wat er met die ander is gebeurd nadat hij het balletje in het gat duwde. Hij is direct daarna gestorven. Ik weet dus niet of wat jij wilt gaan doen wel zo verstandig is.’

Ze overleggen met elkaar in een druk en nerveus gezoem..

De drie bijen in de andere ruimte geven aan dat het om in deze afgesloten ruimte te kunnen overleven belangrijk is om voldoende nectar te krijgen. Helaas hebben zij aan hun kant deze kans niet. Maar als ze hem wel hadden, zou een van hen zich direct voor de anderen opofferen.

‘Ja, maar is er wel uitzicht op overleving van onze soort of betekent een opoffering alleen dat we een voor een na elkaar zullen sterven?’ brengt Fozzy vasthoudend naar voren.

Na een serieus wikken en wegen, wordt besloten dat wat er uiteindelijk ook zal gebeuren, het voor een kans op voortbestaan van de soort zaak is zo lang mogelijk tijd te rekken.

Hierna begint Dizzy, zij het wat minder enthousiast dan daarvoor, het gele balletje in de richting van het gat te rollen. Aarzelend blijft ze bij het gat staan en houdt met haar pootje aarzelend het balletje vast om te voorkomen dat het in het gat rolt.

Alle bijen kijken gespannen toe. Wat zal er met Dizzy gebeuren nadat het balletje in het gat is verdwenen?

Ze zien hoe Dizzy haar oogjes sluit, een zucht slaakt en het balletje daarna opnieuw in beweging brengt. Even later is het balletje in het gat verdwenen.

De spanning neemt verder toe. Alle ogen zijn gericht op Dizzy. Moeten ze afscheid van haar gaan nemen?

Dan gaan de oogjes van Dizzy open en als eerste begint ze opgelucht en dankbaar van de nectar te eten, die uit het buisje tevoorschijn is gekomen.

‘Nu ben ik aan de beurt’, roept Jibby en hij staat trappelend en vol ongeduld te wachten op het gele balletje dat gaat vallen. In plaats daarvan zien ze tot hun schrik dat de plastic wand langzaam begint te schuiven, zodat het gat in de grond in de andere ruimte komt.

De drie toeschouwers daar raken er opgewonden van. Nu krijgen zij de kans om wat nectar te eten en hun soort in stand te houden. Als het balletje valt storten ze zich gedrieën op het gele balletje en duwen het in de richting van het gat. Even later kunnen ook zij zich tegoed doen aan de nectar.

Buiten het plastic huisje is onder mensen in witte jassen een gejuich los gebarsten.

‘Het is ons gelukt!’ zegt een van hen enthousiast. We hebben bewezen dat bijen onder druk van omstandigheden het vermogen hebben steeds weer nieuw gedrag aan te leren!’

Vrijdags wordt het in de krant gemeld: ‘Bijen zijn veel slimmer dan altijd werd gedacht.’.